04-06-10 De moederschapsrust voor de zelfstandige moeder
Zelfstandige vrouwen in hoofdberoep en meewerkende echtgenotes hebben na een bevalling recht op een moederschapsvergoeding, bovenop het kraamgeld. Recent werden een aantal wijzigingen doorgevoerd. Zo kan de zelfstandige moeder haar periode van moederschapsrust verlengen in geval van hospitalisatie van haar pasgeborene en werd de wijze van uitbetaling van de uitkering aangepast. Een kort overzicht.
Moederschapsrust
Het tijdvak van moederschapsrust omvat in totaal maximum 8 weken (9 weken bij de geboorte van een meerling). De zelfstandige moeder moet sowieso een verplichte periode rust nemen om recht te hebben op een moederschapsuitkering. Deze verplichte moederschapsrust omvat een periode van 3 weken, één week verplichte voorbevallingsrust en twee weken verplichte nabevallingsrust.
De verplichte periode kan aangevuld worden met een facultatieve (vóór- en/of na-) bevallingsrust. De zelfstandige kan zelf (binnen bepaalde tijdsgrenzen) kiezen op welk moment zij de facultatieve moederschapsrust opneemt. Zij kan de periode van vóórbevallingsrust met maximum 2 weken vervroegen en tot 21 weken na de verplichte bevallingsrust kan zij de resterende weken opnemen. De resterende weken zijn het aantal weken die overblijven na aftrek van de 3 verplichte weken moederschapsrust en eventueel een facultieve voorbevallingsrust van 1 of 2 weken.
De facultatieve periodes van moederschapsrust worden altijd per 7 kalenderdagen opgenomen. Maar bij hospitalisatie van de pasgeborene kan de moederschapsrust nog verder verlengd worden. Dit gebeurt op verzoek van de moeder wanneer het pasgeboren kind vanaf de geboorte meer dan 7 dagen opgenomen moet blijven in het ziekenhuis. De moederschapsrust wordt in dat geval verlengd met het aantal volledige weken hospitalisatie van het kind dat de eerste 7 dagen overschrijdt.
De duur van de verlenging is beperkt en mag niet meer dan 24 weken overschrijden. De verlenging start op de eerste dag die volgt op de 2 weken verplichte nabevallingsrust.
De facultatieve nabevallingsrust vangt aan op de eerste dag die volgt op het einde van de verlenging.
De aanvraag voor moederschapsuitkering gebeurt bij de mutualiteit. De zelfstandige moeder kan haar aanvraag per post verzenden (waarbij de poststempel bewijskracht heeft) of zij kan haar aanvraag tegen ontvangstbewijs afgeven.
Ook de aangifte van de verlenging van de moederschapshulp naar aanleiding van de hospitalisatie van het kind na de geboorte gebeurt bij de mutualiteit. De moeder brengt de verzekeringsinstelling, binnen de 2 weken die volgen op de geboorte van haar kind, op de hoogte van het feit dat zij wenst aanspraak te maken op deze verlenging. Zij deelt tevens het aantal weken van verlenging mee en bezorgt een getuigschrift van de verplegingsinrichting die bevestigt dat de voorwaarden vervuld zijn en de periode van hospitalisatie van de pasgeborene vermeldt.
Stemt de werkelijke hospitalisatieperiode niet overeen met de duur vermeld op het attest, dan bezorgt de gerechtigde bij het einde van de verlenging een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting dat bevestigt dat de pasgeborene gehospitaliseerd is gebleven gedurende deze verlenging en dat de duur van de hospitalisatie vermeldt.
Binnen de 2 dagen na haar effectieve en definitieve werkhervatting brengt de zelfstandige moeder haar verzekeringsinstelling hiervan op de hoogte.
Moederschapsuitkering
Tot slot een woordje uitleg over de moederschapsuitkering.
Sedert 1 januari 2010 wordt de uitkering uiterlijk één maand na de laatste week van de nabevallingsrust uitbetaald. Tenzij betrokkene haar facultatieve nabevallingsrust spreidt. In dat geval wordt de moederschapsuitkering uiterlijk één maand na de laatste week van elke periode van opname betaald.
De moederschapsuitkering bedraagt momenteel 1 127,16 EUR voor de verplichte rustperiode van 3 weken. Voor elke extra week rust ontvangt de zelfstandige 375,72 EUR.


